Een tijdje geleden deed ik een hoop moeite om het boekje van Bill Carson “My life and times with Fender Musical Instruments” (out of print) te pakken te krijgen. Bill Carson was in het begin van de jaren vijftig Leo Fender’s testpiloot, en nauw betrokken bij de ontwikkeling van de Stratocaster.

OK, vraagt u, was dat boekje de moeite waard? Antwoord: zeker, het leidde tot nieuwe inzichten in de populairste elektrische gitaar ter wereld.
De Stratocaster, zo blijkt, was eigenlijk bedoeld om steel guitar-klanken mee te kunnen nabootsen. Bill Carson was een eersteklas western swing gitarist (een stand in voor Jimmy Bryant), die de ideale gitaar vóór zich zag. Met zijn ideeën wist hij Leo te overtuigen, die met een experimenteel model bezig was.
De gitaar moest een vibrator krijgen, en een volumeknop die vlak bij de picking hand gesitueerd was. Zo kon je de knop tijdens het spelen manipuleren, en de swells van de steel imiteren.
Leo leverde, met z’n beroemde “synchronized tremolo”, en ook de volumeknop kwam waar Bill ‘m wilde. Bill was ook de instigator van de ’tummy cut’, omdat de slab body van Leo’s eersteling, de Telecaster, ‘m na een avond spelen beurse ribben placht te bezorgen.
De Stratocaster was een doordacht ontwerp, denk ook aan de brug, met individuele intonatie- én actie instelling per snaar (ook een Carson-vereiste), en aan de “original contour body”, met de afgeschuinde zijde waar de arm lag. En die upper horn, heb je daar wel eens over nagedacht? Daardoor hangt de gitaar min of meer in het midden van je lichaam. Maar de Stratocaster zag er óók heel goed uit, het werk van Freddie Tavares.

Goed, iedereen blij, en trots, en daar ging de gitaar de markt op, lente 1954. Applaus. Bill liet ongetwijfeld menig vibrerend en aanzwellend akkoordje horen.
Maar wat gebeurde er de volgende dag, bij wijze van spreken? De Rock and Roll werd uitgevonden, en het totaal onmuzikale, wilde geschreeuw, vaker wél dan niet met primitieve gitaarbegeleiding, verbreidde zich als een besmettelijke ziekte onder de jeugd.1 De sophisticated western swing-bands waren on the way out.
Al het subtiele gewiebel met de “synchronized tremolo” werd in de kiem gesmoord en men zette het ding vast met een blokje hout (“blocked”), of draaide de veren zo hard aan dat ‘ie vast kwam te liggen (“decked”). Anders ontstemde de gitaar toch maar. Kootchie kootchie kootchie kootchie Peggy Sue.
25 Jaar later, de muziek was ondertussen aardig veranderd, kregen musici opeens zin om duizelingwekkende duikvluchten met de “sychronized tremolo” te gaan maken. Daartoe bleek het ding ten enen male ontoereikend. Het werd compleet herontworpen door ene Floyd Rose, op grond van Leo’s principes, dat wel, maar nu met military grade engineering. Spelers experimenteerden ook met nieuwe pickup-configuraties. De “Super-Strat” was geboren. Running with the Devil.

Het publiek heeft er nooit mee gezeten, met die misfit van een Stratocaster. Iedere gitarist wilde er één, het was gewoon een onweerstaanbaar ding.
Zie je wel, ik zag net een leuk filmpje van Paul Davids, waarin hij zijn liefde voor de Stratocaster betuigt en allerlei vintage exemplaren laat horen, maar de “synchronized tremolo” zwijgt hij compleet dood.
Er zijn volgens mij ooit maar twéé gitaristen geweest die de Stratocaster echt gebruikt hebben zoals ‘ie bedoeld was, allebei Engelsen: Hank B. Marvin (van The Shadows) en Jeff Beck. Niet dat ze western swing speelden, maar de Strat had nog wel iets meer in zich. Beiden wisten de kern te raken van de verkeerd begrepen gitaar, en vergaarden subtiel zwengelend eeuwige roem.
Ondertussen had de gitaar zelf ook eeuwige roem vergaard, in de handen van iedereen die er gewoon op speelde wat ‘ie wou.
- nee hoor, ik ben fan ↩︎
