1730: Santiago de Murcia bewerkt Corelli

Een obscure figuur is de Spaanse barokgitarist Santiago de Murcia (1673-1739). Een leven vol muziek waarvan geen anekdote is overgebleven.

Een paar jaar terug hoorde ik Paul O’Dette een stuk van hem spelen, getiteld Giga de Coreli. Klonk ravissant op de barokgitaar.

Zoals je weet heeft dat instrument vijf koren, waarvan er drie voorzien zijn van een octaafsnaar (beetje als een twaalfsnarige gitaar waarvan je het laagste paar hebt afgeknipt). Dat zorgt voor allerlei random verrassingen in het klankbeeld, positief én negatief. Soms komt er een octaafsnaar bovendrijven, wat een hoge stem lijkt te suggereren (leuk), soms bederft de octaafbesnaring de waargenomen loop van een melodie (raar).

Het wordt nog raarder als het laagste koor uit twéé octaafsnaren bestaat, oftewel geen zg. bourdon bevat. Dan is je laag geen laag meer, maar een potentiële hoogverstoorder. Over deze issue wordt geloof ik, strijd geleverd op leven en dood in de barokgitaarwereld.

Aan zijn opname te horen speelt O’Dette met bourdon. Een andere uitvoering, van Lorenzo Micheli, is zonder bourdon. Ik geloof dat je aan kleine eigenaardigheidjes van Murcia’s bewerking kan zien dat deze inderdaad zonder bourdon speelde, onder het motto you cain’t use what you ain’t got (op z’n Spaans dan).

Maar goed, ik speel geen barokgitaar, en ben dat ook niet van plan, maar ik wil wél die Giga spelen, omdat het zo’n leuk stukje is. Gewoon op de zessnarige gitaar. Kan dat?

In mijn oneindige naïviteit denk ik dan: bekijk Murcia’s tabulatuur, snor Corelli’s partituur op,1 breng de verschillen in kaart, en kijk of er iets gecorigeerd of aangevuld moet worden.

Is dit het superioriteitscomplex van de moderne zesnarige gitarist? Kijken of je de zaak kan verbeteren, omdat er waarschijnljk niet veel van zal kloppen, van dat ouwe werk?

Eh, ik denk het niet. Ik ga niets verbeteren, ik wil dit stuk op een heel ander instrument spelen, op de zessnarige gitaar. ‘Wat’, zegt u, ‘één snaartje erbij en dan een heel ander instrument, kom op!’ Jawel, wij hebben een grotere toonomvang.

Over dat superioriteitscomplex, als je dat op het werk van een zessnarige gitarist als Sor zou toepassen, dan is dat een old school-gedachte. Ouwe dingen zijn namelijk vaak wél goed zoals ze zijn. Kwestie van begrip, inleving en uitvoeringspraktijk.

David van Ooijen stuurde me Murcia’s oorspronkelijke partituur, waarvoor dank. Als je die bekijkt blijkt hoe makkelijk je je in de luren laat leggen door de klankeffecten van de barokgitaar.

Murcia’s bewerking is uiterst dun. Hij houdt in beginsel Corelli’s bovenstem aan, en harmoniseert slechts schetsmatig. Je zou het tweestemmig kunnen noemen, ware het niet dat er soms grote gaten in de onderstem vallen, en het geheel dan alleen gedragen wordt door Corelli’s arpeggio’s in de bovenstem. Die vormen dan wel volledige harmonieën, maar er is geen harmonisch interval op de zware maatdelen. Als Murcia noodgedwongen moet afwijken van Corelli’s bas, laat hij de harmonische functie intact (een IV wordt een II, of omgekeerd, etc, etc.). Geeft de melodienoot de grondtoon, dan laat hij de bas soms helemaal weg. Sowieso is er eigenlijk amper sprake van ‘bas’. Er is geen aanwijsbare doorlopende baslijn. De baslijn bestaat, als we ervanuit gaan dat Murcia zonder bourdon speelde, uit een aantal noten op de vierde snaar, en verder uit suggestie en special FX.

Hoe kan je componist omgaan met zo’n basloos instrument? Dat kan, denk ik, omdat al die ouwe jongens (meisjes? ik ken alleen het meisje van Vermeer) vertrouwd waren met de doodgewoon lineair gestemde tokkelinstrumenten als luit, theorbe, chitaronne etc. Dan weet je dat een vijfde koor in principe lager is dan een vierde. Ook al is het in de praktijk hoger.

De barokgitaar kon bestaan bij gratie van de luit, denk ik. Met zo’n serieuzer grote broer kon het kleine broertje zich kolderiek gedragen. Was de luit je te serieus, dan ging je lekker gitaarspelen, en andersom.

Terug naar de score: Murcia doet mijns insziens aantoonbaar z’n best om de zware maatdelen hier en daar te voorzien van een terts tussen bas en melodie. Te dien einde past hij op meerdere plaatsen een melodienoot aan, en voorkomt hij dat het resulterende (nieuwe) motiefje zich niet op korte afstand herhaalt. Zie hier de in motiefjes denkende barokker.

Rarigheden zijn er ook. Zo introduceert onze geachte Santiago op zeker moment de toon Fis, maar schrijft dan in dezelfde frase, in dezelfde maat, in dezelfde melodie, een F. En herhaalt dat vervolgens met Cis en C. ‘Ja goed hè’, zegt u, ‘dat is nou de grilligheid van het echte barokspel!’ Maar als ik de passage opzoek bij Corelli zie ik weinig grillen: Cis is Cis en Fis is Fis.

Als ik Murcia’s ‘grillige barokspel’ uittest op het gezin, zonder iets te zeggen, roept iemand vanuit de badkamer dat ik ‘iets geks’ speel. Ik roep provocerend dat ik het ‘wel wat vind hebben!’ Ik speel het opnieuw. Dan zegt iemand anders: ‘hè, dit is raar’.

Kortom: het volk pikt het niet! Misschien overdreef ik de rare noten een beetje.

Bij nadere beschouwing blijkt de ‘grilligheid’ voort te komen uit ouderwets opportunisme. In de gekozen vingerzetting in de tabulatuur kan Murcia z’n pink maar een halve toon opschuiven. E>Fis zit er niet in, nou, dan maar E>F. ‘Het klopt niet, maar het is wél makkelijk’, moet ‘ie gedacht hebben. Met een iets moeilijkere vingerzetting had hij Corelli’s noten kunnen redden. Boven zijn arrangement schrijft Murcia:

Sigue una Giga de Coreli Dificil para este termino  

[Hier volgt een moeilijke Giga van Coreli om af te sluiten]

moeilijk? Waarom maakt Murcia dan van die Fis een F? Zou hij dan niet alleen de genoemde passage, maar z’n hele arrangement zo simpel mogelijk gehouden hebben? Dat was dan goed voor de anderen, en zelf kon hij altijd nog extra details toevoegen.

Maar wat kletsen we ook. Iets dergelijks is eigenlijk usance in de gitaarmuziek: opgeschreven versies zijn basic. Stel je voor dat virtuozen precies neerpennen wat ze zelf doen, dan is er voor de gemiddelde amateur geen eer meer aan te behalen.

Nog een ‘rarigheid’ vinden we direct aan het begin: Murcia verandert Corelli’s melodie. Do-sol-do wordt do-re-do. (maat 1, zware maatdelen). Shame? Dat hangt er maar helemaal van af hoe je het begrip ‘bewerken’ opvat. Wát bewerk je namelijk? De melodie? De harmonie? De dynamische indruk? Liefst allemaal tegelijk uiteraard, maar dat gaat niet lukken, Sor (een componist) zei het al:

Te beweren dat je op één instrument alles kan uitvoeren wat denkbaar is in de muziek, betekent naar mijn mening dat je dat instrument niet kent.

Als je nu denkt dat ik Murcia maar troep vind, dat is dat toch niet zo. Murcia’s bewerking is uiterst effectief en er is eigenlijk niets aan te verbeteren. Zolang je het op barokgitaar speelt.

Toch heb ik nog een dingetje: Murcia’s slot. Dat trek ik niet, al sinds de eerste beluistering bij O’Dette. Inspectie bij Corelli toont dat Murcia de zaak in de laatste vier maten heeft veranderd. Twee mineurakkoorden worden majeur. Dan maak je het lastig te begrijpen voor me.

Corelli’s merkwaardige eind zie ik als een genialeTrugschluß: hij duikt totaal onverwacht de mineurmodus in, en laat een voorzinnetje van twee maten eindigen op C-klein. Het stuk is klaar als het nazinnetje op het bevrijdende C-groot eindigt.

Murcia geeft twee keer C-groot, weg effect. En van het eerste akkoordje in de nazin, F-mineur, maakt hij F-groot. Dat maakt Corelli’s harmonische bedoelingen minder logisch. Sorry, maar dit zou ik verbeteren. Op 5-snarige gitaar is dat mogelijk.

Verdere puntjes: in maat 7, eerste tel, zit het tertsinterval op z’n kop. Maat 22 bevat een Fis op het vierde koor, die moet een F zijn. In 31, tel één en twee, legt hij de melodie anders, waarschijnlijk intentioneel, maar erg veel wint hij er niet mee (OK, tertsen op de hoofdtel).

Is er verder nog iets te ontdekken aan de muziek? Dacht het wel! Het stuk staat in 12/8 maat (een vierdelige maat bestaande uit triolen). Nu valt mij iets op aan de tabulatuur van De Murcia: hij plaatst bindingen tussen de laatste twee noten van de triool. Niet altijd, maar toch met een zekere volharding. Huidige uitvoerders binden juist de eerste twee tonen. Zo begon ik ook, instinctief.

Ja, die oudjes zijn gek, dat veranderen we even. Totdat ik me afvroeg waarom Murcia dat nou gedaan zou hebben, hij was toch niet gestoord? Nu kan je de muziek altijd zo buigen als je wilt, en kan iedereen voor de gekste theorieën z’n gelijk halen, maar IK constateer dat Murcia’s bindingen tot leven komen als je de eerste trioolnoot verlengt, alsof de triool niet uit drie gelijke delen bestaat, maar uit een achtste en twee zestienden (behoorlijk overdreven, zegt u). Het resulterende ritme is veel aanstekelijker dan de egale triool. En dan die bijwerking: je tempo wordt lager, en er komt adem in de frase. Als er ooit een win win-situatie was, dan hier. Vind ik althans.

Maar zoals ik al zei, we wilden het stuk op de zesnarige gitaar spelen. Goodbye random verschijnende spookoctaven, welkom doodserieuze lineariteit. Wat blijft er over?

Valt erg mee. Alsof we het spelen met bourdon, versie O’Dette, maar dan zonder de magie van de barokgitaar. Corelli is sterk, en dat houdt de zaak overeind. De zesde snaar hoeft niet benut te worden, en zo blijft er iets over van de ‘lichte’ klank van de barokgitaar. Als muziekschoolstuk heb je iets dat niet zo moeilijk is, maar een echte baroksfeer uitstraalt. Dit is bewerking No. 1.

2025: Paul bewerkt Murcia

Nu het springende punt: wat doen we met die zesde snaar? Zoals ik al zei: af en toe valt Corelli’s bas weg, en doet Murcia het alleen met de bovenstem. Op zesnarige gitaar valt dat op. We gaan dus een baslijn plaatsen. Het kost even moeite om dat vette laag toe te laten in dit mooie lichte stuk, maar we gaan niet huilen!

Ik pik een hint van Murcia: ik hou het tweestemmig. Beter helemaal tweestemmig dan af en toe driestemmig, kwestie van proporties. Laten we hopen dat een acceptabele tweestemmigheid überhaupt mogelijk is, want ik zal je een geheimpje verklappen: bij de gitaar zitten melodie en bas één octaaf dichter bij elkaar dan bij alles wat je in je hoofd haalt om te bewerken. Dat is dus chronisch dringen in het middengebied.

Het gaat voorspoedig, en we bereiken al de eindsequens waar Murcia de bas helemaal weglaat. Een bas toevoegen geeft hier de belangrijke tertsen en sexten op de zware maatdelen. Je zou die sequens kunnen vingerzetten met een opschuivende barréreeks. Gelukkig zijn er zonder enig bezwaar open snaren te plaatsen, en dat klinkt het best.

Gaan we voor perfectie? Niet op papier, nee. Maar om te spelen wel, uiteraard. Als ik even geen zin heb in dat correcte middentertsje, zet ik het er ook niet in. Murcia gebruikt twee open snaren, dat neem ik lekker over. Ik zie wel of me er ooit aan stoor.

Het trugschluß in mineur wordt met zes snaren nog een beetje gesophisticeerder.

Bewerking 1 is leuk, maar no.2 is serieuzer te nemen en is echt van het instrument. John Williams had het zo op een Barok-plaat kunnen zetten. Wil je ‘beeldend’ spelen, eerbiedig dan de rusten in Corelli’s baslijn, dan begint het behoorlijk ‘echt’ te worden. Groetjes.

PS: ik zal proberen PDF’s leverbaar te maken hier op de site.


  1. Sonate a violino e violone o cimbalo, Rome, 1 januari 1700. Het betreft het laatste deel van sonate nummer 3, ‘Allegro’. ↩︎