Een obscure figuur is de Spaanse barokgitarist Santiago de Murcia (1673-1739). Een paar jaar terug hoorde ik Paul O’Dette een stuk van hem spelen, getiteld Giga de Coreli. Klonk ravissant op de barokgitaar.
Zoals je weet heeft dat instrument vijf koren, waarvan er drie voorzien zijn van een octaafsnaar (als een twaalfsnarige gitaar waarvan je het laagste paar hebt afgeknipt). Dat zorgt voor allerleirandom verrassingen in het klankbeeld, positief én negatief. Soms komt er een octaafsnaar bovendrijven, wat een hoge stem lijkt te suggereren (leuk), soms bederft de octaafbesnaring de waargenomen loop van een melodie (raar).
Het wordt nog raarder als het laagste koor uit twéé octaafsnaren bestaat. Dan is je laag geen laag meer, maar een potentiële hoogverstoorder. Over deze issue wordt, geloof ik, strijd geleverd op leven en dood in de barokgitaarwereld.
Aan zijn opname te horen speelt O’Dette mét bourdon. Een andere uitvoering, van Lorenzo Micheli, is zónder. Ik geloof dat je aan kleine eigenaardigheidjes van Murcia’s bewerking kan zien dat hij inderdaad zonder bourdon speelde, onder het motto you cain’t use what you ain’t got (op z’n Spaans dan).
Dat die gekke barokgitaar überhaupt kon bestaan denk ik, is bij de gratie van z’n grote broer, de luit. Die bleef trouw alle serieuze tokkelplichten vervullen en nam er steeds weer een snaartje bij. Zo kon junior zich ongestraft kolderiek blijven gedragen.
Een ander instrument
Ik speel geen barokgitaar, en ben dat ook niet van plan, maar ik wil wél die Giga spelen, omdat ik het zo’n aantrekkelijk stuk vind. Gewoon op de zessnarige gitaar. Kan dat?
Tuurlijk kan dat, maar zal je waarschijnlijk het één en ander willen aanpassen. Want onze gitaar is een ander instrument dan de barokgitaar, met een grotere toonomvang, en zonder dat fraaie (c.q. storende) octaven-illusionisme. Maar laten we eerst eens kijken wat Murcia precies heeft opgeschreven.
De score
Giga de Coreli is een bewerking van het laatste deel (‘Allegro’) van de derde sonate uit Sonate a violino e violone o cimbalo van Arcangelo Corelli, gepubliceerd in Rome op 1 januari 1700. Hoor het hier. Als ik Murcia’s baroktabulatuur bekijk (uit het manuscript Pasacalles y Obras, met dank aan David van Ooijen), blijkt diens bewerking uiterst dun.
Het is eigenlijk Corelli’s bovenstem, met een uitgedunde onderstem die waarschijnlijk niet door de APK zou komen, gezien de gaten die er in zitten. Nu heeft de barokgitaar al weinig omvang, maar Murcia lijkt de zaak ook simpel te hebben gehouden. In dat simplisme is hij zeer effectief. Als hij afwijkt, laat hij de harmonische functie intact (een IV wordt een II, of omgekeerd, etc), en als de melodienoot start op de grondtoon van de harmonie, laat hij de bas soms helemaal weg. Hier en daar past hij een melodienoot aan om een tertswerking met de bas te creëren. Knap kunst- en vliegwerk, waarbij de magische klankwerking van de barokgitaar de rest moet doen.
Grillige barok?
Rarigheden zijn er ook. Zo geeft onze geachte Santiago op zeker moment de toon Fis, maar schrijft dan in dezelfde frase, in dezelfde melodie, een F. En herhaalt dat vervolgens met Cis en C.
“Goed hè”, zegt u, “dat is de grilligheid van het echte barokspel!” Maar Corelli zelf schrijft gewoon twee maal een Fis en tweemaal een Cis.
Bij nadere beschouwing komt de ‘grilligheid’ voort uit opportunisme: de lengte van de menselijke pink. Murcia kan die, net als ik, maar een halve toon opschuiven. E>Fis zit er niet in, nou, dan maar E>F. Had Murcia Corelli’s nootjes willen redden, dan had dat de speler véél meer moeite gekost. Maar hier lag blijkbaar een grens. Boven zijn arrangement schrijft Murcia:
Sigue una Giga de Coreli Dificil para este termino
(Hier volgt een moeilijke gigue van Corelli om mee af te sluiten).
Aangezien we hem juist betrapten op een vrij vergaande versimpeling, denk ik dat Murcia ook wil demonstreren hoe knap hij is, dat hij van deze ‘moeilijke gigue’ iets speelbaars heeft gemaakt.
Nog een rarigheid vinden we direct aan het begin: Murcia verandert Corelli’s melodie. Do-sol-do wordt do-re-do. (maat 1, zware maatdelen). Shame? Dat hangt er maar helemaal van af hoe je het begrip ‘bewerken’ opvat. Wát bewerk je namelijk? De melodie? De harmonie? De dynamische indruk? Liefst allemaal tegelijk uiteraard, maar dat gaat niet lukken, Sor (een componist) zei het al:
Te beweren dat je op één instrument alles kan uitvoeren wat denkbaar is in de muziek, betekent naar mijn mening dat je dat instrument niet kent.
Het slot
Afgezien van deze puntjes valt er aan Murcia’s werk niet veel te verbeteren ( zolang je het maar op de barokgitaar speelt). Toch heb ik nog een dingetje: het coda. Dat trek ik niet, al sinds de eerste beluistering bij O’Dette. Inspectie bij Corelli toont dat Murcia de laatste vier maten heeft veranderd.
Corelli is hier geniaal. Hij duikt onverwachts de mineurmodus in en maakt een Trugschluß. De voorzin eindigt op C-klein, de nazin op C-groot. In vier maten is ‘ie klaar. Glashelder.
Murcia geeft twee keer C-groot, weg effect. En van het eerste akkoordje in de nazin, F-mineur, maakt hij F-groot. Dat vertroebelt Corelli’s harmonische richting. Op 5-snarige gitaar bekijken ze het maar, maar op de 6-snarige zou ik dit verbeteren.
De zesde snaar
Goed, we gingen er een zesnarige versie van maken. Aan de hand van Corelli’s partituur vervolmaken we de baslijn. Voor zover mogelijk, ja, want óók de zesnarige gitaar heeft z’n beperkingen. Het is wel even wennen om te horen hoe ons vette laag de klank van dit mooie lichte stuk ‘bederft’.
De nieuwe bas doet wat hij moet doen: de zware maatdelen markeren met tertsen en sexten. Ook maak ik hier en daar een akkoord iets vollediger. En net als Murcia verander ik een paar onbelangrijke nootjes in de bovenstem, in mijn geval om tertsverdubbeling in de harmonie te vermijden. Ha, daar bent u weer: “Je bederft de baroksfeer, die lui dachten nog niet zo harmonisch als wij!” Jaja, toch wel hoor, de basso continuo-partij bevat een volledige, rijke harmonie, en ik ga de beperkte mogelijkheden van mijn instrument niet opofferen aan verdubbelingen.
De baslijn, die opgevouwen zat in de discant, kan weer omlaag, en de akkoorden krijgen hun bedoelde modus. John Williams had het zo op een barokplaat kunnen zetten.
Bindingen
Wat is er verder nog te ontdekken? Het stuk staat in 12/8 maat (zijnde een vierdelige maat bestaande uit triolen). Murcia plaatst bindingen tussen de laatste twee noten van de triool. Niet altijd, maar toch met een zekere volharding. Huidige uitvoerders binden juist de eerste twee tonen. Zo begon ik ook, instinctief.
Totdat ik me afvroeg waarom Murcia dat nou gedaan zou hebben. Nu kan je de muziek altijd zo buigen als je wilt, en kan iedereen voor de gekste theorieën z’n gelijk halen, maar IK constateer dat Murcia’s bindingen tot leven komen als je de eerste trioolnoot ietwat verlengt, en de triool niet uit drie gelijke delen laat bestaan. Het resulterende ritme is pregnanter dan de egale triool. En dan die bijwerking: je tempo wordt lager, en er komt adem in de frase. Het lijkt me een zg. ‘win-win’-situatie.
Murcia’s bewerking
Met z’n authentieke baroksfeer is Murcia’s oorspronkelijke (vijfsnarige) versie een mooi stuk voor de muziekschool. Ik heb het de eerste cursist al voorgeschoteld. Nu maar hopen dat hij er net zo enthousiast over raakt als ik!
